Respect voor dieren

zondag 6 november 2011

Doodswens

http://www.foksuk.nl/Fokke_en_Sukke/homepage
                                            

zaterdag 5 november 2011

Het Circus is dood. Leve het Circus!

afbeelding aanklikken voor vergroting
foto:  Olivier Samson Arcaud
Cirque du Soleil gaf de kwakkelende circusindustie een nieuw elan: 1300 artiesten treden avond aan avond op over de hele wereld. Mario d’Amico vertelt hoe zijn bedrijf dat bereikte.

“Een traditioneel circus is verschrikkelijk duur”, begint Mario d’Amico, hoofd marketing van het Canadese Cirque du Soleil. “Je moet olifanten en leeuwen onderhouden, daarvoor heb je verzorgers nodig, voer en een plaats waar die beesten veilig kunnen rondlopen. En dat allemaal voor een betrekkelijk klein publiek: ouders met jonge kinderen.”
Dat de circusindustrie al decennia op haar gat ligt, is dan ook weinig verbazingwekkend, vindt hij. Met zijn ‘Cirque’ gaat het wel goed. Het bedrijf heeft over de hele wereld 21 shows en 5000 mensen in dienst, onder wie 1300 artiesten. Ze hebben een permanente kunstgalerie in Las Vegas, denken na over ‘Cirque-hotels’ en dit najaar komt er een kledinglijn in samenwerking met het Spaanse merk Desigual.
Cirque du Soleil geldt als een schoolvoorbeeld voor marketeers. Succesvol worden in een branche waar – toen Cirque in 1984 begon – niemand meer brood in zag.

De credits gaan vooral naar de oprichter van Cirque: Guy Laliberté. Hij begon Cirque du Soleil met een aantal andere straatartiesten uit Montréal, Canada. Zelf was hij vuurspuwer, steltloper en accordeonist. Het had een lokale groep kunnen blijven, maar Laliberté had andere plannen. “Hij is een van die zeldzame mensen die een grote creativiteit combineren met een goed zakelijk inzicht”, vertelt d’Amico. “Guy bedacht dat er een markt was voor een moderne, meer theatrale manier van circus, waarbij choreografie, muziek, spectaculaire kostuums en decors een rol zouden spelen. Maar de basis bleef het circus: de verwondering, de spanning, de grote tent.”

Vanaf het allereerste begin zag Laliberté in dat hij niet alleen goede artiesten nodig had, maar ook goede marketing. Ook toen er nog bijna geen budget was, werd diep nagedacht over hoe een nieuwe show moest worden neergezet.Lokale contacten waren daarbij altijd heel belangrijk: “We willen niet zo’n show zijn die even langskomt, de winst incasseert en dan weer vertrekt”, vertelt d’Amico. Daarom investeerde de groep veel in samenwerking met lokale artiesten, contacten met scholen en buurtwerk. Dat bleken belangrijke marketingkanalen. Evenals de mond-tot-mondreclame waar Cirque het nog steeds van moet hebben. “We hebben nog nooit veel geld uitgegeven aan traditionele reclamecampagnes, advertenties in bladen en commercials”, vertelt d’Amico. “Maar marketing is altijd heel belangrijk geweest, in de zin van het opbouwen van een duurzame relatie met ons publiek. Guy is nog altijd directeur van het bedrijf, maar ik, als hoofd marketing, ben de tweede man. Belangrijke beslissingen nemen we bijna altijd samen.”

Daarmee is Cirque du Soleil een voorbeeld van een bedrijf dat zijn marketingactiviteiten in de top integreerde.
Cirque du Soleil heeft de waarde van het ouderwetse circus vermeerderd. Mensen zijn bereid veel meer voor een kaartje te betalen. Bedrijven nemen er hun werknemers en relaties mee naartoe. Daarmee is een heel nieuw publiek aangeboord. Dat is zeker iets waar andere bedrijven in andere branches iets van kunnen leren.

***

vrijdag 4 november 2011

Ronald Plasterk

 
Over Ronald Plasterk (foto) hebben we het al eens eerder gehad. Maar dat neemt niet weg dat ik me over hem blijf verbazen, iedere keer weer dat ik zijn keurige stem op de radio hoor. Je kunt niet of nauwelijks meer horen dat hij in Den Haag opgroeide. Op de radio kakelt hij mee over de financiële politiek, de steun aan Griekenland, de euro – of hij nooit anders gedaan heeft. De tegenstelling met zijn vorige werk kon haast niet groter zijn. Zo’n twintig jaar lang deed hij biochemisch onderzoek; laatstelijk op het gebied van de ontwikkelingsgenetica: de wording van het embryo. In ieder geval op gebieden waarin je niet zomaar wat kunt beweren. In de politiek kun je zo ongeveer beweren wat je wilt, hier gaat het er maar om dat je de meeste stemmen achter je krijgt!

Ik heb me afgevraagd of er meer van zulke mensen zijn. Ik kwam uit bij Margaret Thatcher, die opgeleid en werkzaam was als chemicus, zij het niet zo’n lange tijd als Plasterk. Haar onbuigzame, conservatieve beleid paste heel goed bij haar exacte vorming.
In dat opzicht is de socialist Plasterk trouwens wel haar tegenpool.

Angela Merkel, bijna even oud als Plasterk, is gepromoveerd fysicus. Maar zij koos al heel vroeg voor de politiek. Zij vertegenwoordigt daarin de christendemocraten. Wat dat laatste ook moge zijn, ze bracht het ermee tot premier, nu al zes jaar!

Ik heb zo’n vermoeden dat de premiersambitie ook in Plasterk sluimert. Tot dusver zit het hem daarin niet mee. Hij bracht het dan weliswaar tot minister van Onderwijs, maar de termijn kon hij niet volmaken, door de val van het kabinet-Balkenende. Nu werkt hij in de schaduw van Job Cohen, ver verwijderd van het regeringspluche. Toch een mannetje – opportunist - om in de gaten te houden.



donderdag 3 november 2011

Evert Jan van Asselt en de dierentuin (Open brief)


Geachte heer Van Asselt,


Of het nu over mensen gaat (Mauro), of over dieren (olifant Radza), het CDA zit er A L T I J D naast. 

Uw tekst in de Volkskrant telt 674 woorden. Er zijn minder woorden nodig om te laten zien dat uw kritiek op Graus kant noch wal raakt.
De gebruikelijke christelijke (CDA) minachting van dieren zit al in de kleine sneer van de ‘caviapolitie’.

1. De grootste miskleun staat in de laatste alinea: een kind dat een tand breekt. Het gaat hier echter om minimaal twee dodelijke ongelukken! Hoeveel meer slachtoffers wenst u?!


2a. “Hekken gaan ten koste van het zicht.” 

Hekken en tralies zijn (doorgaans) inherent aan opsluiting. Het vervangen ervan door een gracht is bedrieglijke trucage: men wil de indruk wekken van 'diervriendelijkheid'. 


2b. Hekken leveren èn minder gevaar èn meer ruimte voor de dieren op. Een olifant is nu ook weer niet zo heel klein: die zie je echt wel. Bovendien: hoezo hekken?! Gaat u eens naar een dierentuin, dan ziet u ook andere oplossingen. 

3. De grachten van Artis en Blijdorp worden erbij gehaald. Volkomen mis: Emmen heeft zeventien olifanten, en daarvoor is het terrein veel en veel te klein. Onder andere daardoor gebeuren deze ongelukken in Emmen en elders niet. (Artis: 5 olifanten; Blijdorp: 7)

Ik laat het hier maar bij.
Emmen is een bijna failliete dierentuin die de extra-publiciteit uitstekend kan gebruiken. Dat mag best een olifantje kosten: dat scheelt weer een transport naar Spanje (waar Emmen zijn surplus onderbrengt).
Het zou prettig zijn als u zich in het vervolg zou willen beperken tot onderwerpen waar u wel verstand van heeft. Tenzij u uw partij nog verder in diskrediet wilt brengen.

Barend Slootweg

woensdag 2 november 2011

CDA en Mauro

Dat de dieren van het CDA niets te verwachten hebben bewijst de hele geschiedenis van die partij, tot op de huidige dag. Huidige kamerleden als Koopmans, Ormel en Buma – om nog maar niet te spreken over Bleker en consorten (Verburg, Veerman) van diezelfde partij - hebben hun minachting van dieren ruim voldoende duidelijk gemaakt.

Maar ook ten opzichte van mensen is christelijke barmhartigheid bij de christelijke volksvertegenwoordigers ver te zoeken. Zo die partij ergens duidelijk had kunnen maken waar ze voor staat, dan toch wel in de zaak-Mauro. Maar nee, liever verschuilt men zich achter formalistische argumenten. Dogmatiek in z’n allerslechtste betekenis. 

De peilingen spreken duidelijke taal over dit stelletje machtsbeluste politici.

‘Verlos ons van het CDA.’

dinsdag 1 november 2011

De Dierenbescherming (door Gertie)

Soms denk ik dat ik droom! Zijn dierenorganisaties er nu om voor dieren op te komen of om mensen tevreden te stellen en zo leden binnen te halen? Ik heb regelmatig het idee dat vooral dat laatste belangrijk is!

Mijn lidmaatschap bij de Dierenbescherming heb ik niet meer. Wilde geen lid meer zijn van een club, die een ster verleent aan vlees van kippen, varkens en koeien, die het nauwelijks beter hebben dan de dieren in de vee-industrie. Ze hadden, naar mijn mening, alleen voor het beste moeten gaan en ook vegetarisch moeten promoten.

Onlangs belde een mijnheer van de DB mij. Ik had allang geen donatie meer gedaan! Hij belde mij op het juiste moment. De DB heeft samen met La Place een kindermenu, compleet met een 'sterren’ worstje. Ik vroeg die mijnheer, waarom ze niet in plaats van een vlees worstje een lekker sojaworstje hadden genomen. Kinderen eten te weinig groenten, soja is gezond. 
Het antwoord kan ik nu 3 weken later nog niet bevatten! 
Hij zei letterlijk: "Wij zijn er niet om vegetarische producten te promoten, dat moeten die bedrijven zelf doen."

Ongelofelijk! Ik zei nog tegen hem, u promoot toch ook vlees? Hij herhaalde dat de bedrijven van vegetarische producten dat zelf moeten doen!!

Ik wil hiermee niet zeggen dat de Dierenbescherming geen goede dingen doet. Die doen ze natuurlijk ook. Maar van een organisatie die het vlees promoot wil ik geen lid/donateur zijn. 

Polypil: geneeskunde en Echternach

Echternach
(aanklikken voor vergroting)
Voor de oppervlakkige beschouwer lijkt de geschiedenis van de geneeskunde een aaneenschakeling van triomfen. 
Voornamelijk vanaf het einde van de 19e eeuw hebben generaties medici de mensheid ontelbare zegeningen gebracht: vaccinatie, röntgendiagnostiek, insuline, antibiotica, de anticonceptiepil, multidisciplinaire behandeling van kanker, transplantaties, behandeling van vaatziekten via katheterisatie, en wat niet al.

Van een afstand bezien lijkt dit alles te danken aan een combinatie van toegenomen inzicht, logisch denken en doorzettingsvermogen. Wat betreft de toekomst hoeft men, zo redenerend, die lijn alleen maar door te trekken. Als het ontstaan van een ziekte eenmaal goed begrepen is, zou de behandeling daaruit logischerwijs moeten volgen.

In werkelijkheid is die indruk van gestage vooruitgang een drogbeeld. 
Een betere vergelijking is misschien de processie van Echternach: 5 stappen vooruit en 3 achteruit.
Sterker nog, elke blijvende vordering bij de behandeling van een bepaalde ziekte is gepaard gegaan met een groter aantal mislukkingen, waarvan er steeds ook enkele jarenlang als standaardbehandeling hebben gegolden. 

Velen denken daarbij alleen aan bekende voorbeelden als het plaatsen van bloedzuigers en het aderlaten bij allerlei ziekten. Vergeten zijn de talloze onwerkzame behandelingen waarin lang is geloofd.
Zo benadrukt een artikel uit 1944 over de behandeling van poliomyelitis het belang van warm inpakken van verlamde spieren; tijdens hete zomers stonden daarom in de ziekenzalen ook nog eens waterketels te stomen. Daarbij biedt het artikel een kritische terugblik op eerder aangeprezen, maar toen inmiddels verlaten behandelingen: inspuiting van reconvalescentenserum of urotropine, orale toediening van sulfathiazol of kaliumchloraat, röntgenbestraling van het ruggenmerg en elektriseren van spieren met galvanische of faradische stroom. Alleen het nemen van maatregelen tot vermijding van een spitsvoet of andere ‘vicieuse standen’ komt ons ook nu nog zinvol voor.

Psychiatrische ziekten van allerlei aard werden aan het begin van de 20e eeuw behandeld met langdurige baden, een uit Duitsland afkomstige behandeling. In vele gestichten werden zalen met badkuipen ingericht. Vooral opgewonden patiënten werden uren en soms dagen in het lauwwarme water gehouden.

Maar ook heden ten dage kan men bedrogen uitkomen wanneer behandelingen worden gebaseerd op ‘inzicht’ of ‘gezond verstand’. Een actueel voorbeeld heeft te maken met homocysteïne. Er zijn overweldigende bewijzen dat het risico op hart- en vaatziekten verband houdt met de hoogte van de concentratie van homocysteïne in het bloed. Dat leidt logischerwijs tot de gedachte dat verlaging van de homocysteïneconcentratie door foliumzuur de kans op hart- en vaatziekten kan verkleinen. Daarom namen de initiatiefnemers van de ‘polypil’ het foliumzuur maar vast in de combinatie op. Toch kon het voordeel van dit middel niet worden aangetoond in een 2 jaar durende trial bij 3.680 patiënten die een herseninfarct hadden ondergaan, en ook niet in een 3,5 jaar durende trial bij 3.749 patiënten die een hartinfarct hadden gehad (Noorse vitaminetrial).
***
Commentaar
Dit zijn fragmenten uit het artikel 'Wie het verleden vergeet...' geschreven door de neuroloog Jan van Gijn in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Het volledige artikel vind je hier.
Van Gijn publiceerde begin dit jaar het boek Lijf en leed.