Respect voor dieren

zaterdag 29 juni 2013

Hartstichting en dierproeven



Onze missie is hart- en vaatziekten bestrijden.
 
Bij een deel van het wetenschappelijk onderzoek dat we financieren worden dierproeven gedaan.
 
We zijn ons ervan bewust dat dit gevoelig ligt.
 
Helaas zijn dierproeven nog steeds nodig om medische voortuitgang te realiseren voor hart- en vaatpatiënten.
 
Waar mogelijk zetten we ons op bescheiden wijze in om het aantal dierproeven terug te dringen.
 
We zijn kritisch bij het beoordelen van subsidieaanvragen en leveren een bijdrage aan initiatieven van ZonMw op dit vlak.
Daarnaast nemen we namens de Samenwerkende Gezondheidsfondsen deel aan het Regulier Overleg Dierproeven en hun alternatieven.  
 
***

Commentaar

Kan het onwaarachtiger? (Jaarverslag 2012)

donderdag 27 juni 2013

Vervanging van dierproeven

 
Door meer gebruik te maken van 

1.   reageerbuisproeven,

2.   de zich ontwikkelende 21e-eeuwse wetenschapsvelden -

zgn. ‘omics’-wetenschappen – en

3.   het ontwikkelen van intelligente teststrategieën

kan het aantal noodzakelijke dierproeven duidelijk zakken.
 
Dat zegt prof.dr. Van Ravenzwaay (foto) in zijn inaugurele rede bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel Reproductie- en ontwikkelingstoxicologie aan Wageningen University. Zijn leerstoel wordt gefinancierd door BASF en is ondergebracht bij de leerstoelgroep Toxicologie.
 
Van Ravenzwaay schetst in zijn inaugurele rede ‘Innovative approaches to reduce animal testing’ een overzicht van de mogelijkheden om het aantal dierproeven als ratten, muizen, vissen te beperken. Hij gaat daarbij uit van de informatie die dierproeven opleveren en onderzoekt de mogelijkheden of die kennis ook op andere wijze is te verkrijgen. Hij onderscheidt daarbij drie velden waar verbeteringen kunnen optreden: vermindering, verfijning en vervanging. Dat gaat dus verder dan alleen het zoeken naar vervangende methoden voor dierproeven.
 
Met de term vermindering doelt de hoogleraar op studies met een minimaal aantal dieren dat nodig is om een helder beeld te krijgen van het potentiële gevaar en de risicobeoordeling, maar toch zoveel dat de uitkomsten van het onderzoek ook betrouwbaar zijn.
 
Verfijning wijst naar het vermijden van de schadelijkste en stressvolste situaties voor proefdieren, door bijvoorbeeld alleen op een deel van het dier, zoals het oor, te testen.

Van Ravenzwaay pleit ervoor om het concept verfijning uit te breiden met moderne methoden die extra dierproeven overbodig maken. De zgn ‘omics’- wetenschappen geven die mogelijkheden. Daaronder vallen nieuwe studiegebieden als proteomics (over eiwitten), transcriptomics (over genen en hun expressie) en metabolomics (over natuurlijke stoffen in het lichaam). “De omics-data geven ons inzicht in de manier waarop een stof in het lichaam werkt, zodat we met minder studies én minder proefdieren uit kunnen,” aldus Van Ravenzwaay.
 
Vervanging voor proefdieren is ethisch en maatschappelijk het belangrijkste voordeel van reageerbuisproeven ofwel in vitro-studies.

Maar Van Ravenzwaay noemt daarnaast andere winstpunten zoals de mogelijkheid om preciezere kwesties te bestuderen die met proeven in levende proefdieren lastiger zijn te beantwoorden. “Daarbij zijn twee zaken van belang: je wil weten wat een stof doet met het lichaam, maar tegelijk wat een lichaam doet met een stof. Met in vitro-studies kunnen niet alle antwoorden worden gegeven. Daarom ontwikkelen we computermodellen die de vertaalslag maken tussen cellen in een reageerbuis en een echt dier.”

De Wageningse hoogleraar Reproductie- en ontwikkelingstoxicologie maakt daarbij de aantekening, dat huidige dierproeven, hoewel nog steeds essentieel voor de veiligheidsbeoordeling, niet altijd optimaal zijn. “Aspirine – wel eens het achtste wereldwonder genoemd - zou nooit op de markt zijn gekomen als zijn toxicologische potentieel zou zijn geëvalueerd met de huidige maatstaven. Uit studies blijkt nl. dat aspirine misvormingen bij ratten kan geven. We weten echter dat dit bij mensen niet het geval is. Daardoor wordt duidelijk dat dierproeven niet altijd het juiste antwoord geven en dat het belangrijk is de manier waarop een stof toxisch is beter te begrijpen”
 
Tenslotte is ook de hoeveelheid benodigde teststof bij in vitro-tests veel geringer dan de massa die bij proefdieren nodig is. Een kleine in vitro-studie vergt maar een paar milligram, terwijl dierproeven al snel een paar honderd gram van de te testen stof verbruiken. Het maken van een nieuwe  stof met bijzondere biologische eigenschappen (denk aan geneesmiddelen) is vaak duurder dan zijn gewicht in goud waard is. Met in vitro tests kunnen de belangrijke nadelige effecten, zoals mutageniteit, endocriene werking, ontwikkelingstoxiciteit, enz. al zeer vroeg tijdens de ontwikkeling van een nieuwe stof worden ontdekt, zodat veel sneller een besluit genomen kan worden of verdere ontwikkeling (en de daarmee gepaard gaande dierproeven) nog wel zinvol is. “In vitro-tests versnellen daarmee het selectieproces enorm,” aldus Van Ravenzwaay.
 
***
 
 

Commentaar

Ik krijg wel eens het idee dat de beschaving terrein wint.

Hyperbare zuurstoftherapie


Normale lucht bevat ongeveer 78% stikstof, 21% zuurstof en 1% overige stoffen.  
 
Onder normale atmosferische druk vullen de erytrocyten (rode bloedcellen) zich voor 98% met zuurstof (saturatie van 98%). Door patiënten 100% zuurstof te geven kan de saturatie 100% worden, maar dit is nog niet de essentie van de therapie.  
 
Onder druk lossen gassen op in vloeistof (wet van Henry), dus als de patiënt in de drukcabine 100% zuurstof inademt zal er meer zuurstof in het bloed oplossen. Deze extra opgeloste zuurstof bevindt zich in het bloedplasma en niet in de erytrocyten.
 
Aangezien erytrocyten de bloedvaten nodig hebben om naar de plek te komen waar ze hun zuurstof kunnen afgeven aan het weefsel dat deze zuurstof nodig heeft, komt er in weefsel met vaatschade weinig zuurstof. Echter opgelost zuurstof in het bloedplasma kan vrij diffunderen in weefsel met vaatschade, en doordat er door de therapie meer zuurstof is opgelost is de diffusieafstand vergroot, waardoor het weefsel met vaatschade alsnog de benodigde zuurstof krijgt.
 
De functie van de hoge druk rondom de patiënt hangt af van het type therapie. Wanneer er in de cabine 100% zuurstof zit zorgt de druk direct voor de verhoogde plasmaconcentratie.
 
Omdat zuurstof zeer reactief (brandgevaar) is, helemaal in hoge concentraties, wordt in ziekenhuizen alleen via een masker 100% zuurstof toegediend. De rest van de cabine bevat 'gewoon' 21% zuurstof en wordt op druk gebracht.

bron wikipedia

dinsdag 25 juni 2013

Lepra: 'Sluit me niet op!'


Mycobacterium is een geslacht van bacteriën, dat vooral bekend is als verwekkers van de ziekten tuberculose en lepra.

Er zijn ook nuttige soorten, bijvoorbeeld die in de bodem in symbiose leven met sommige planten.

De meeste mycobacteriën zijn vrij ongevoelig voor de gebruikelijke antibiotica. Een van de eerste antibiotica die effectief was tegen deze bacteriën is streptomycine.

Mycobacteriën delen zeer langzaam waardoor de behandeling ook lange tijd duurt: zo'n 6 tot 12 maanden.
 
De leprabacterie werd ontdekt in 1873 in Noorwegen door Hansen. Het duurde tientallen jaren voor er een antibioticum gevonden werd, nl. in de jaren 40 van de vorige eeuw. Dat middel was dapson.

Proeven met dieren slaagden niet!

Dapson gaf de melaatse patiënten, die van de buitenwereld afgezonderd werden gehouden, nieuwe hoop, en in Amerika grepen zij de populariteit van Bing Crosby aan om op te komen voor hun vrijheid. Hij zong in 1944/45 ‘Don’t fence me in!’, wat overigens niks met lepra te maken. Muziek hier. (N.B. 'cayuse': Indiaans klein paard)

In 1948 werd het prikkeldraad weggehaald van het quarantaineterrein in Carville, Louisiana.
Maar in een land als Japan werden melaatsen in gedwongen afzondering gehouden tot het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw!
Tegen het advies van de WHO in. Het besmettingsgevaar is niet heel groot.

Dapson wordt tegenwoordig geven in combinatie met clofazimine en rifampicin. De combinatie dient om resistentie te verhinderen.

Een vaccin tegen lepra bestaat nog steeds niet.
 
 
24-jarige lepralijder (Noorwegen ca. 1886)
 

PS. Of in het Oude Testament al op lepra gedoeld wordt, bij het aldaar noemen van huidziekten en schimmels, is onbewezen.

maandag 24 juni 2013

Tuberculose

Prof. dr. W. Bitter, 'Wat een tering secreet' (oratie; fragmenten) Compleet hier.
 
De eerste antibiotica, zoals penicilline, hadden geen effect op tuberculose, deze ‘koning van de infectieziektes’. Als je eigen immuunsysteem niet in staat was de tuberculosebacterie in bedwang te houden was je ten dode opgeschreven.
Een grote studie in 1948 liet zien dat bijna alle patiënten met longtuberculose die met streptomycine behandeld waren, in eerste instantie een opmerkelijke verbetering vertoonden, maar deze verbetering was tijdelijk en het sterftepercentage in de met streptomycine behandelde groep was even hoog als in de controlegroep.
 
Het duidelijkste verschil tussen de tuberculosebacterie en gewone bacteriën ligt in de celenveloppe, de laag die de bacterie afscheidt en beschermt tegen de buitenwereld. De celenveloppe van de tuberculosebacterie is absoluut uniek. Hij bestaat uit een dubbele membraan, die een zeer ondoordringbare laag vormt. Deze laag is bijvoorbeeld 100 maal minder doorlaatbaar dan die van de E. coli bacterie.
De buitenste celmembraan is opgebouwd uit een reeks exotische vetten of lipiden die tot nu toe vrijwel nergens anders zijn gevonden. Een ondoordringbare celwand is een uitstekend verdedigingsmiddel om ervoor te zorgen dat er geen ongewenste stoffen naar binnen kunnen  komen, maar wat als je als bacterie nu stoffen naar buiten wil transporteren?
Oftewel, een beschermend harnas is heel prettig in de strijd, maar minder prettig als je naar het toilet moet! De meeste ziekteverwekkende bacteriën transporteren een groot aantal eiwitten naar buiten, die nodig zijn om de werking van het menselijk immuunsysteem te blokkeren of voor de aanhechting aan de juiste gastheercellen.
 
Deze uitgescheiden of gesecreteerde eiwitten zijn over het algemeen groot en wateroplosbaar en zijn dus niet makkelijk over een celmembraan te transporteren.  Gewone bacteriën hebben daarom verschillende eiwitsecretiesystemen ontwikkeld om deze eiwitten toch naar buiten te brengen zonder dat er gaten vallen in hun celenveloppe. Tot nu toe zijn er een zestal van die secretiesystemen ontdekt, genoemd type I tot en met type VI. Uit genoomanalyse weten we dat de tuberculosebacterie geen enkele van deze eiwitsecretiesystemen heeft. Omdat deze bacterie ook nog eens een volstrekt ondoorlaatbare celenveloppe bezit werd lange tijd gedacht dat de tuberculosebacterie maar weinig of misschien zelfs helemaal geen eiwitten zou uitscheiden. Men vermoedde dat alle interacties met de gastheer zouden lopen via de bijzondere lipiden van de celwand.
 
Dierproeven zijn helaas noodzakelijk om tuberculose te begrijpen. Dit komt omdat we gedurende een langere periode de interactie met cellen van het immuunsysteem moeten bestuderen.
Hiervoor kozen we de zebravis, een populair proefdier bij ontwikkelingsbiologen. Een extra voordeel van de zebravis is dat we ook experimenten met zebravisembryo’ s konden uitvoeren. Deze zijn doorzichtig, wat het mogelijk maakt om de gedragingen van individuele fluorescerende bacteriën in een levende gastheer volgen. Hiermee kunnen we proeven die in muizen een half jaar duren vaak terugbrengen tot een week.
De groep uit Leiden heeft onlangs een automatisch injectieapparaat gemaakt voor zebravisembryo’ s, waardoor we in staat zijn om op grote schaal nieuwe antibiotica te testen.
 
Het is mijn overtuiging dat het gebruik van zebravissen een ethisch en wetenschappelijk verantwoord model is voor tuberculose-onderzoek in muizen.
Helaas moeten we zo af en toe nog wel klassieke tuberculose onderzoekers overtuigen van de kracht van dit model. Zij vergeten kennelijk dat de kortste route niet altijd de snelste is. Als je een modelsysteem gebruikt, moet je uiteraard op een gegeven moment de belangrijkste proeven herhalen voor de echte tuberculosebacterie.
 
Er zijn zes verschillende eiwitsecretiesystemen in bacteriën bekend, die allemaal niet voorkomen in de tuberculosebacterie. Het systeem dat wij ontdekten, bleek inderdaad een nieuw secretiesysteem te zijn en hebben we type VII genoemd. Dit systeem is betrokken bij de secretie van veel verschillende PE en PPE eiwitten, bij elkaar waarschijnlijk meer dan 100.
Even hadden we de droom dat we met deze mutant een interessante vaccinkandidaat in handen hadden.  Hoewel de in vitro infectie experimenten met macrofagen en zebravisembryo’ s dit beeld ondersteunden, zagen we bij volwassen zebravissen echter een heel ander beeld.
Daar leidde de veranderde immuunrespons niet tot een snellere uitschakeling van de tuberculosebacterie. Integendeel, we vonden een enorme toename van het aantal bacteriën en ook een snelle ontwikkeling van granulomen.
Een goedwerkend vaccin tegen tuberculose zou natuurlijk mooi zijn, maar is wellicht een ijdele hoop. Tuberculose is namelijk anders dan veel andere infectieziektes. Als je bijvoorbeeld eenmaal mazelen hebt doorgemaakt ben je levenslang beschermd tegen deze ziekte, daarom kun je tegen mazelen goed vaccineren. Zo niet bij tuberculose, een doorstane infectie geeft nauwelijks bescherming. Het huidige tuberculosevaccin, BCG, beschermt volwassenen dan ook niet goed tegen longtuberculose. Toch is men er nooit in geslaagd om dit vaccin uit 1921 echt te verbeteren.
 
De consequentie hiervan is dat de meeste vaccins wellicht niet zullen werken omdat de tuberculosebacterie juist activatie van het immuunsysteem nodig heeft.
Maar hoe moeten we tuberculose  dan bestrijden? Wat in ieder geval gelukkig wel werkt, zijn antibiotica. 

***

Commentaar:

1.   “Dierproeven zijn helaas noodzakelijk om tuberculose te begrijpen.”

a)   Let op “helaas”. Lippendienst aan de beschaving. De bekende hypocrisie. 

b) "in vitro infectie-experimenten met macrofagen en zebravisembryo's": in vitro? 

c) Er zijn antibiotica, er is een vaccin. Wordt het nu geen tijd om eens na te denken over alternatieven voor dierproeven?!

2.   ”Het is mijn overtuiging dat het gebruik van zebravissen een ethisch en wetenschappelijk verantwoord model is voor tuberculose-onderzoek in muizen.”  

a)   “ethisch verantwoord"!  

b)  Begrijp ik dit goed, dan gaat het dus eigenlijk weer om het genezen van muizen (nadat ze ziek gemaakt zijn).

zondag 23 juni 2013

Niet spuwen

NIET SPUWEN

NIETS BUITENSTEKEN

 
Vroeger kon je voorin de tram, bovenin de cabine van de bestuurder, dit bordje aantreffen: Niet spuwen. Het maakt toen al een gedateerde indruk, want spugen was allang geen gewoonte meer, en zeker niet in de besloten ruimte van een tram.
Ik denk dat het een vooroorlogs reliek was. Aangebracht uit angst voor tuberculose (tb(c), een heel besmettelijke ziekte.
 
In het westen komt tb zo goed als niet meer voor, maar in Afrika en Azië zijn naar schatting 2 miljard mensen besmet, waarvan jaarlijks 1,5 tot 2 miljoen overlijden.
 
De bacterie werd voor het eerst geïdentificeerd door Robert Koch in 1882. Een therapie vond hij niet. Die kwam pas in 1921. Twee Franse geleerden maakten toen een vaccin, naar hen genoemd BCG. (Bacillus Calmette-Guérin)
 
In 1950 werd in Edinburgh het geneesmiddel streptomycine ontwikkeld, dat tegelijk met twee andere middelen toegediend werd. Deze laatste moesten resistentie voorkomen.
Helaas zijn sommige vormen van tb in onze tijd toch resistent geworden.
 
 

Nòg een Apenheul?

 
Stichting AAP was rond de tijd van de verhuizing van Amstelveen naar Almere in 1996 uitgegroeid van een nationaal opvangcentrum tot een Europees opvangcentrum. 

Het uiteindelijke doel blijft overigens nog steeds: de dieren geestelijk en lichamelijk weer gezond te maken en ze daarna te herplaatsen in een meer natuurlijke omgeving, in de vorm van een reservaat of gerenommeerde dierentuin.


In september 2006 begon Stichting AAP met het opnemen van chimpansees uit het proefdierencentrum BPRC, dat krachtens de wet niet meer met mensapen mocht experimenteren.

Met kerst 2011 voor de deur komt farmaceutisch bedrijf MSD met het verlossende woord: alle 73 apen die zich nog in de proefdierfaciliteit in Oss bevinden mogen binnenkort van hun pensioen gaan genieten bij Stichting AAP. Een beter kerstcadeau hadden deze Java-apen zich niet kunnen wensen!

Toen dit jaar bekend werd dat MSD/Organon gestopt was met de vroege researchactiviteiten in Oss, stelde de Anti Dierproeven Coalitie (ADC) de vraag wat er met de nog aanwezige proefapen zou gebeuren. Een mogelijkheid was dat de dieren naar een ander laboratorium zouden gaan. Daarom heeft AAP aangeboden de dieren in Almere op te vangen en hen een mooi pensioen te bieden.

***
Commentaar:
Het is een verbetering voor de dieren, zonder meer. Maar ze blijven natuurlijk wel opgesloten. Wat ik van David van Gennep (foto) zou willen weten is hoe hij dit gaat financieren, de opvang van 73 apen. Daar hoor ik namelijk niks over. Tot dusver plaatste AAP opvangdieren geregeld in dierentuinen. Ik begin nu echter te vermoeden dat er wel eens een nieuwe dierentuin in Almere zou kunnen ontstaan. Een "gerenommeerde dierentuin".... Een tweede Apenheul?!

Zolang er geen wettelijk verbod op het houden van apen en andere exoten is, blijft het natuurlijk dweilen met de kraan open.
Welke inspanningen levert AAP eigenlijk om zo’n verbod te bewerkstelligen? Ook daar hoor ik nooit iets over…